Liverpool en de Klop(p)jacht op de titel

Soms valt alles op z’n plek. Niet altijd in één keer, maar geleidelijk aan beginnen de puzzelstukjes naadloos in elkaar te passen. Liverpool is zo’n puzzel die geleidelijk aan in elkaar is gevallen. The Reds moesten meerdere barrières overwinnen en klommen even zo vaak uit het dal. Maar nu, eenmaal aan de top, schittert Liverpool als weleer. Onder leiding van de razende en schreeuwende Duitse coach Jürgen Klopp jagen de spelers van Liverpool het hele veld over, als een stel stieren die overal hun eigen rode tenues zien hangen. Doelbewust en vastberaden op weg naar die ene grote droom: het eerste kampioenschap sinds het seizoen 1989/1990

“Steve Gerrard, Gerrard, he slipped on his f*cking a*se, he passed it to Demba Ba, Steve Gerrard, Gerrard…”

Pijnlijker wordt het niet voor de Liverpoolsupporter. The man, the myth, the legend en aanvoerder Steven Gerrard gleed uit in het duel met Chelsea. Demba Ba kon zo doorstomen richting de goal en schoot Liverpool’s titelambities aan flarden. The Reds stoomden niet meer af op de titel, maar lagen op ramkoers voor weer een seizoen zonder de gedroomde prijs. Ba knielde en kuste de grasmat van Liverpool, waarop hij zichzelf zojuist de boeken in had geschoten als de man die het slippertje van Steven Gerrard fataal maakte. Spelers duikelden over hem heen en gebalde vuisten staken in de lucht.

Ironisch genoeg zit in dit pijnlijke moment ook de huidige hoop van Liverpool verscholen. Want wie zien we daar, in een blauw Chelsea-shirt en met rugnummer vijftien, doelpuntenmaker Ba feliciteren? Zelf had hij vast ook niet meer gedacht dat hij jaren later nog zó’n grote rol zou vervullen in de stoutste dromen van de Liverpoolsupporters. We zien Mo Salah. De man die, toen nog als jochie, meemaakte hoe Liverpool wéér geen kampioen zou worden. Op het moment dat Demba Ba Anfield in rouw dompelde, is er een heilig vuur gaan branden bij de Egyptische God. Hij had gevoeld hoe Anfield in no-time transformeerde in een bokser die knock-out in de touwen hing. Het was een ijskoud en akelig gevoel dat Salah met zich meedroeg toen hij in Rome ging voetballen. Een gevoel dat hij nog steeds bij zich droeg toen hij in 2017, ruim drie jaar na de goal van Demba Ba, het shirt van The Reds om zijn schouders mocht hangen. Een gevoel dat er voor zorgde dat hij zichzelf vanaf minuut één bij Liverpool lanceerde als een raket. Week in, week uit pronkte zijn naam op de scoreformulieren. Hij steeg naar grote hoogten en nam Liverpool met zich mee.

Maar Salah kan het niet alleen. Hij hoeft het ook niet alleen te doen. Samen met Sadio Mané en Roberto Firmino vormt hij een werkelijk dodelijke voorhoede. Als Mané en Salah versnellen, met of zonder bal, zijn er slechts weinigen die hen bij kunnen houden. Firmino is met zijn overzicht en technische vaardigheden de perfecte hangende spits om de twee snelheidsduivels bij te staan en kan zelf ook nog eens een doelpunt maken. Ondersteund met middenvelders die de speelstijl van Klopp perfect begrijpen en de aanvallende backs voor wie de Duitse oefenmeester een plaatsje in zijn formatie heeft ingeruimd, is het huidige Liverpool bijzonder lastig te bestrijden. Tel daar ook de aanwezigheid van Virgil van Dijk bij op en je hebt een elftal dat op techniek, kracht, snelheid én tactisch inzicht tot de absolute top behoort. Een elftal dat eindelijk weer écht mee kan strijden om de prijzen.

Om de Premier League te winnen, moet echter eerst nog worden afgerekend met de grootste concurrent: het Manchester City van Pep Guardiola. Een ploeg die gemakkelijk met drie verschillende elftallen aan de aftrap kan verschijnen zonder dat er aan kwaliteit wordt ingeboet. Een ploeg die is samengesteld door simpelweg de beste spelers ter wereld op elke positie in te lijven. En een ploeg die, dat zal dan ook niet meer verbazen, record na record wist te breken op de Engelse velden. Kortom, een ploeg die normaliter héél weinig slippertjes maakt en een schier onaantastbare kampioenskandidaat is. Vorig seizoen kwam Liverpool akelig dichtbij. De manschappen van Klopp veroverden maar liefst 97 punten, maar helaas bemachtigde Manchester City precies één punt meer. Het feit dat een ploeg als Liverpool, die al zó lang wacht op een kampioenschap, zelfs met het uitzonderlijke aantal van 97 punten nog niet tot kampioen gekroond mag worden, voelt oneerlijk.

Maar eerlijk en oneerlijk tellen niet in de hoogste regionen van de Premier League en dus geven Klopp en zijn Liverpool niet op. Als 97 punten niet genoeg blijkt te zijn, dan moet de lat nóg hoger worden gelegd. Topsport van de hoogste plank, waarbij van iedereen het uiterste wordt gevraagd. Salah, Firmino en Mané moeten hun tegenstanders tot nóg meer waanzin drijven en van Dijk moet achterin nóg moeilijker te passeren zijn. Klopp lijkt erin te slagen om dat van zijn spelers te kunnen vragen. Elf gespeeld, tien gewonnen, één gelijk. En Manchester City? Dat heeft na elf wedstrijden zes punten minder gehaald dan the Reds. Het is nog vroeg in het seizoen, maar een simpele rekensom leert ons dat Liverpool aan het einde van de rit 107 punten heeft behaald wanneer het op dezelfde voet verder gaat. Zeven punten meer dan het recordaantal punten aller tijden, dat met honderd punten in de handen ligt van Manchester City. Gaan de troepen van Guardiola dit seizoen hun heerschappij dan eindelijk vaarwel zeggen, en hun record van honderd punten vergeven zien worden?

Het zou het laatste puzzelstukje vormen in de puzzel die Liverpool heet. Een complexe puzzel, waarvan de puzzelstukjes de laatste jaren zorgvuldig door Klopp aan elkaar zijn gelegd. Op de tribunes zal het “Steve Gerrard, Gerrard, he slipped on his f*cking a*se, he passed it to Demba Ba, Steve Gerrard, Gerrard…” langzaamaan vervagen. En Mo Salah, die als jongeling en als Chelsea-speler meemaakte hoe Liverpool wéér geen kampioen werd, zal er als volwassen man en als Liverpool-speler medeverantwoordelijk voor zijn dat Anfield wordt vervuld van geluk, in plaats van gedompeld in rouw.

De val van Mesut Özil

De klassieke ‘nummer tien’, de spelmaker vóór de middenvelders die de spits van voldoende toevoer moet voorzien. Vaak een lust voor het oog, maar met uitsterven bedreigd. De honger naar de sublieme assist is vaak groter dan de honger naar een simpel doelpunt. Een stylist pur sang die niet gemaakt is voor het vuile werk en voor het veroveren van de bal, maar een speler die altijd denkt vanuit balbezit. Een lofzang voor én een kritische blik op de voetballer Mesut Özil.

Slechts weinig spelers van de huidige generatie beschikken over zo’n fijngevoelige linkervoet als Mesut Özil. Opgegroeid bij Schalke 04, volwassen geworden bij Werder Bremen, doorgestoten tot de wereldtop bij Real Madrid en vervolgens langzaamaan weggezakt bij Arsenal. Zijn linkervoet had hem al die tijd niet in de steek gelaten, zijn overzicht op het veld evenmin. Hij kroonde zich meerdere jaren achter elkaar tot dé assistkoning op de Europese velden. Bij Werder Bremen was hij in 108 wedstrijden goed voor liefst 55 assists, in zijn eerste jaar bij Real Madrid was hij zeventien maal de aangever bij een doelpunt. Enkel Lionel Messi wist hem dat seizoen met achttien assists voor te blijven. Bij Arsenal gaf hij in het seizoen 2015/2016 negentien keer een beslissende pass, het hoogste aantal van alle Premier League-spelers. Na dat seizoen daalde de productie van Özil en daarmee ook zijn speeltijd. Het voormalige toptalent uit Gelsenkirchen bleef voetballen zoals hij altijd al had gedaan, terwijl de voetbalwereld om hem heen al jarenlang aan het veranderen was.

Voetballers worden meer en meer geacht een echte atleet te zijn. Fysiek meer dan bovengemiddeld, met de conditionele inhoud om negentig minuten lang intensieve arbeid te verrichten. De backs moeten naar voren kunnen blijven rennen, vleugelaanvallers moeten mee terug blijven verdedigen en de middenvelders moeten de hele wedstrijd lang op en neer blijven pendelen tussen de beide strafschopgebieden. Een voetbalwedstrijd transformeert meer en meer in een fysieke uitputtingsslag, waarbij de bal met de voeten mag worden gespeeld. Zeker in de Engelse Premier League, het toneel waarop Mesut Özil er minder en minder aan te pas komt. De middenvelder is niet het type speler dat achter zijn tegenstander aan blijft sleuren, hij laat zijn tegenstander juist achter hém aansleuren. Weten wat je gaat doen voordat je de bal ontvangt, ‘m in één beweging klaarleggen voor de volgende handeling en vervolgens met je linkervoet in de beweging van een lopende medespeler plaatsen. Alles gaat dan een seconde te snel voor de tegenstander, maar niet voor Özil. Dat is wat hij tot in de perfectie beheerst, maar het is niet meer het enige waarop hij nu nog kan teren in de voetbaltop. Als het niet loopt omdat de tegenstander uitstekend georganiseerd staat, dan mag een nummer tien als Özil niet meer een gehele wedstrijd lang onzichtbaar zijn. Dan moet hij het team op andere manieren proberen te helpen en dáár lijkt de drempel te liggen voor de middenvelder. Die extra arbeid, die verandering van zijn eigen speelwijze, daar heeft Özil geen trek in. Hij wil bij uitstek die stylist blijven, de frêle linkspoot die zo gemakkelijk voetbalt.

Door die houding lijkt Özil meer en meer vergeten te worden, maar ergens siert het hem. Hij is ooit begonnen met voetballen als hobby en bleek er gewoonweg uitzonderlijk veel talent voor te hebben. Ondanks alle critici, luxe sponsordeals en een prijskaartje van vijftig miljoen euro, blijft hij trouw aan de manier waarop hij zelf wil voetballen. Dat is niet arrogant, hooguit erg eigenwijs. Hij weigert mee te veranderen, vertrouwend op waar hij wél in uitblinkt. Of hij daarmee zijn eigen ruiten heeft ingegooid in het internationale topvoetbal? Mogelijk, ja. Misschien ook niet, als een trainer het aandurft om Özil weer te laten fungeren in de rol die bij hem past. Misschien niet bij Arsenal, misschien niet in de Premier League. Maar Özil blijft Özil, trouw aan zijn eigen invulling van de rol als ‘nummer tien’.